Wetenschappelijke onderbouw

Wat is digitaal analfabetisme?

Digitaal analfabetisme is niet het onvermogen om een scherm te bedienen. Het is het onvermogen om te begrijpen wat er gebeurt zodra je dat doet. En dat gebrek aan begrip is niet zeldzaam; het is wijdverspreid, ook vlak om ons heen.

Digitaal analfabetisme verwijst niet naar het onvermogen om een toestel te bedienen. Het verwijst naar een tekort aan de technische, informatiekundige en kritische vaardigheden die nodig zijn om digitale apparaten, platformen en online informatie zelfstandig, doelmatig en verantwoord te gebruiken. Iemand kan foutloos swipen, typen en scrollen en toch digitaal ongeletterd zijn omdat hij niet doorziet wat een interface met hem doet, waarom een algoritme bepaalde informatie toont, of hoe hij de betrouwbaarheid van een bron kan beoordelen.

In de wetenschappelijke literatuur wordt het begrip zelden op zichzelf behandeld. Het maakt deel uit van een breder onderzoeksveld rond digital literacy (digitale geletterdheid), digital competence (digitale competentie) en de digital divide (digitale kloof). Digitaal analfabetisme is in die zin het spiegelbeeld: het gebrek aan wat deze onderzoekstradities net proberen te definiëren en meten.

Twee manieren om ernaar te kijken

Een systematische review van het gebruik van digital literacy en digital competence in hoger-onderwijsonderzoek laat zien dat definities in de literatuur sterk uiteenlopen, afhankelijk van of ze vanuit beleid, onderzoek of beide vertrekken en of ze de nadruk leggen op technische vaardigheden dan wel op sociale praktijken.

De functionele benadering

Digitale geletterdheid wordt gezien als een verzameling operationele vaardigheden: een toestel kunnen bedienen, software gebruiken, een zoekopdracht uitvoeren en digitale toepassingen correct hanteren.

De kritisch-socioculturele benadering

Deze benadering kijkt verder dan techniek alleen. Ze focust op kritisch denken, reflectie, participatie en het vermogen om digitale systemen en informatie te begrijpen en te bevragen.

Digitaal analfabetisme kan zich op elk van beide niveaus voordoen. Iemand kan perfect met een app werken en toch niet begrijpen wat die app met zijn gegevens, aandacht of gedrag doet.

Eén van de eerste conceptuele kaders:
vijf soorten geletterdheid

Een veelgeciteerd raamwerk van Eshet-Alkalai (2004) onderscheidt digitale geletterdheid niet als één vaardigheid, maar als een samenspel van cognitieve, motorische, sociologische en emotionele vaardigheden. Het gaat dus verder dan louter het kunnen bedienen van software of een toestel.

Photo-visual literacy

Het kunnen "lezen" van grafische interfaces en visuele informatie begrijpen.

Reproduction literacy

Bestaande digitale content combineren tot nieuwe, betekenisvolle informatie.

Branching literacy

Je kunnen oriënteren in niet-lineaire, hypertekstuele omgevingen.

Information literacy

Informatie kritisch kunnen beoordelen en evalueren.

Socio-emotional literacy

Verantwoord communiceren en samenwerken binnen digitale omgevingen.

Wie op één of meerdere van die vlakken tekortschiet, is niet noodzakelijk "slecht met computers". Vaak ontbreekt net de kritische of sociale laag die vandaag steeds belangrijker wordt.

De digitale kloof: niet één, maar meerdere niveaus

Digitaal analfabetisme hangt nauw samen met wat onderzoekers de digital divide noemen maar dat begrip is zelf ook meerlagig.

Van Dijk en Hacker (2003) beschrijven de digitale kloof als een complex en dynamisch fenomeen, niet als een simpele tweedeling tussen wie wel en wie geen toegang heeft tot technologie. Hun onderzoek toont dat verschillen in bezit van apparatuur verklaard door inkomen, opleiding, leeftijd en andere sociaaleconomische factoren; kleiner werden naarmate technologie verder verspreid raakte.

Tegelijk namen verschillen in vaardigheden en gebruik net toe. De kloof verschoof dus van toegang naar vermogen: niet langer alleen de vraag "heeft iemand technologie?", maar ook "kan iemand ze betekenisvol gebruiken?"

Eerstegraads digitale kloof

Heeft iemand toegang tot internet en digitale technologie?

Tweedegraads digitale kloof

Welke verschillen bestaan er tussen mensen die allemaal online zijn, maar sterk uiteenlopende vaardigheden hebben om informatie te vinden, beoordelen en gebruiken?

Hargittai (2002) toonde aan dat internetgebruikers sterk konden verschillen in zoekstrategieën en het vermogen om relevante informatie te vinden. Leeftijd, ervaring en achtergrond speelden daarbij een belangrijke rol.

Deze tweedeling verklaart waarom toegang tot technologie onvoldoende is als maatstaf. Iedereen online krijgen lost digitaal analfabetisme niet op; het verplaatst het probleem naar een laag die minder zichtbaar, maar minstens even belangrijk is.

Waarom het begrip vandaag zwaarder weegt

Van Laar, Van Deursen, Van Dijk en De Haan (2017) brachten in kaart hoe digitale vaardigheden zich verhouden tot de bredere zogenaamde 21st-century skills; vaardigheden zoals kritisch denken, creativiteit, communicatie en samenwerking, die steeds belangrijker worden in een kennisintensieve economie.

Hun review stelt een raamwerk voor waarin digitale vaardigheden niet alleen bestaan uit operationele kennis, zoals het gebruiken van digitale toepassingen, maar ook uit contextuele vaardigheden zoals kritisch denken en probleemoplossend vermogen binnen digitale omgevingen.

Digitale vaardigheden staan niet los van de vaardigheden die iemand nodig heeft om deel te nemen aan een digitale samenleving.

Dat verklaart waarom digitaal analfabetisme niet louter een technisch of generatiegebonden vraagstuk is. Het raakt aan iemands vermogen om te functioneren, te leren en actief deel te nemen aan een samenleving die steeds meer via digitale kanalen verloopt.

Samengevat

Digitaal analfabetisme is:

  • Geen gebrek aan bediening, maar een gebrek aan begrip en kritisch inzicht.
  • Gelaagd, van technische bediening tot kritische reflectie en participatie.
  • Niet opgelost door toegang alleen: de tweedegraads digitale kloof toont dat verschillen in vaardigheden blijven bestaan, ook wanneer iedereen online is.
  • Verweven met bredere vaardigheden zoals kritisch denken en probleemoplossend vermogen, niet als een geïsoleerd technisch vraagstuk.

Cijfers: Vlaanderen in wereldperspectief

Digitaal analfabetisme is geen ver-van-mijn-bedshow. De cijfers, zowel lokaal als wereldwijd, tonen een consistent patroon: toegang groeit sneller dan vaardigheid en beide blijven ongelijk verdeeld.

35%

van de Vlamingen heeft zwakke digitale vaardigheden. Bij laagopgeleiden loopt dit op tot 53%.

In Vlaanderen heeft bijna iedereen toegang tot technologie: 99% van de Vlamingen beschikt over minstens één slim toestel en een vorm van internetverbinding. Toch heeft 5% van de Vlaamse huishoudens thuis geen internettoegang. Bij gezinnen met een laag inkomen loopt dat op tot 13%.

Toegang is dus grotendeels gerealiseerd. Vaardigheid niet.

61%

van de Belgen beschikt over minstens basisdigitale vaardigheden. Dat is een verbetering, maar blijft onder de Europese ambitie.

Binnen Europa had in 2025 ongeveer 60% van de EU-burgers tussen 16 en 74 jaar minstens basisdigitale vaardigheden. De Europese doelstelling bedraagt 80% tegen 2030.

81-84% Nederland, Ierland, Denemarken en Finland
32-38% Roemenië en Bulgarije

De kloof loopt bovendien sterk langs leeftijd en opleiding. Binnen Europa beschikt slechts 33% van de 65- tot 74-jarigen over basisdigitale vaardigheden, tegenover ongeveer 75% bij wie met internet is opgegroeid.

2,2 miljard

mensen wereldwijd hebben nog steeds geen toegang tot internet.

Volgens de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) was in 2025 ongeveer 74% van de wereldbevolking online. Maar ook wereldwijd geldt dezelfde vraag: niet alleen "heeft iemand toegang?", maar vooral: "kan iemand die toegang ook echt benutten?"

Dat is precies de kern van digitaal analfabetisme: het is zelden een lokaal of tijdelijk probleem. Het patroon herhaalt zich op elk niveau : van een Vlaams gezin met beperkte middelen tot een land zonder stabiele digitale infrastructuur.

Literatuur

Cijfers

Conceptuele bronnen

Van onderzoek naar praktijk

De digitale kloof ontstaat niet alleen buiten organisaties. Ze bestaat ook binnenin.

Mijn onderzoek naar digitale transformatie toont een gelijkaardig patroon binnen organisaties: technologie verandert sneller dan mensen en structuren kunnen volgen.

Wanneer medewerkers niet begrijpen waarom verandering plaatsvindt, wanneer vragen niet gesteld worden of twijfels niet uitgesproken raken, ontstaat er een stille kloof tussen het systeem dat gebouwd wordt en de mensen die ermee moeten werken.

Technologie faalt zelden omdat de technologie niet werkt. Ze faalt wanneer mensen niet meer kunnen meepraten over de wereld die ermee gebouwd wordt.

Vanuit die combinatie van onderzoek, praktijkervaring en maatschappelijke reflectie ontstaan de keynotes rond digitaal analfabetisme: gesprekken over digitale verandering, menselijke vaardigheden en de verantwoordelijkheid om technologie opnieuw vanuit de mens te bekijken.

Ontdek de keynotes →