Over Thomas

Ik bouwde jarenlang systemen. Uiteindelijk begon ik de mensen erachter te onderzoeken.

Ik herinner me niet meer wanneer ik voor het eerst besefte dat ik meer geloofde in machines dan in mensen. Het gebeurde geleidelijk. Ergens tussen mijn eerste regels code en de duizendste of zo.

Een computer deed wat je hem vroeg. Precies dat, niets meer, niets minder. Geen misverstanden, geen aarzeling, geen "ik snap het niet maar durf het niet te zeggen". Dat vond ik geruststellend.

Twintig jaar lang heb ik dingen gebouwd. Websites, applicaties, digitale oplossingen : hoe technischer, hoe liever ik ermee bezig was.

Wat ik niet kon debuggen, waren mensen.


Ik zag het steeds opnieuw gebeuren, bij verschillende organisaties, in verschillende sectoren. Een project dat technisch perfect was afgeleverd en dat alsnog stierf.

Niet met een knal. Met een zucht.

Mensen die het systeem niet gebruikten zoals bedoeld. Die er stilletjes omheen werkten. Die tijdens vergaderingen knikten en achteraf zeiden dat het toch niet ging lukken.

Niemand loog. Niemand saboteerde. Ze zwegen gewoon.

Ik begon me af te vragen waarom. Niet vanuit theorie, maar vanuit iets ongemakkelijkers: ik herkende het bij mezelf. Hoe vaak had ik zelf geknikt in een vergadering, terwijl ik iets niet volledig begreep? Hoe vaak had ik iets "ja, duidelijk" genoemd, terwijl het dat niet was? Als ík dat deed, iemand die met technologie is opgegroeid, die het als tweede taal spreekt; wat deed dat dan met iemand voor wie die taal nooit vanzelfsprekend is geweest?

Dat was de vraag die alles veranderde. Niet: hoe bouw ik betere systemen?

Wel: waarom zwijgen mensen wanneer ze achterblijven?


Ik ben het gaan onderzoeken, uiteindelijk grondig genoeg om er mijn masterthesis over te schrijven.

14 professionals geïnterviewd over grootschalige digitale transformaties

Trajecten mislukken zelden luid. Ze mislukken stil.

Kritische stemmen worden geleidelijk herleid tot uitvoerders van wie niemand nog de mening vraagt. Een project kan naar buiten toe "volgens planning" verlopen, terwijl de waarschuwingssignalen er al maanden liggen.

In de wetenschap noemt men dat organisational silence.

Wanneer die stilte lang genoeg aanhoudt, verliest een organisatie niet alleen het contact met wat er misgaat; ze verliest het vermogen om het nog te zien.

Dat noem ik sociotechnical amnesia.

Dat inzicht was niet louter academisch voor mij. Het verklaarde iets dat ik al jaren aanvoelde zonder er woorden voor te hebben.


Digitaal analfabetisme is voor mij de zichtbare kant van diezelfde stilte.

Iemand die niet meer mee kan met technologie zegt dat zelden hardop. Uit schaamte. Uit angst. Uit het gevoel dat het toch geen verschil maakt.

En dus zwijgen mensen.

Thuis. Op het werk. In de wachtrij aan het digitale loket.

Die stilte wordt voor de buitenwereld onzichtbaar gemaakt onder een schijnbaar functionerende samenleving. Tot ze het niet meer is.

Geen enkele technologie lost dat voor ons op. Dat kunnen alleen wij.

Ik bouw dit platform niet omdat ik denk dat ik alle antwoorden heb. Ik bouw het omdat ik geloof dat de eerste stap altijd dezelfde is: erover spreken. Hardop benoemen wat te lang alleen maar gevoeld werd. Niet om mensen schuldig te laten voelen omdat ze iets niet begrijpen maar om een cultuur te bouwen waarin dat zeggen geen risico meer is.

Ik ben nog altijd die developer die het liefst een probleem debugt tot op de bodem. Alleen weet ik nu dat de belangrijkste bugs zich niet in code bevinden. Ze zitten in de ruimte tussen wat mensen voelen en wat ze durven zeggen. En die ruimte, die probeer ik onder andere met dit platform, met elk gesprek, met elke sessie die ik geef; een beetje kleiner te maken.

— Thomas